Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jonge de Groot in allerhande weetenschappen. Hier zocht hy zyn veratand, dat tot alles ryp en bekwaam scheen, niet alleen met de, kennis der Historiën, van de Grieksche en Latynsche Oudheden, van de Filosofie, Sterre- en Wiskunde, maar ook met die der Gods- en Rechtsgeleerdheid te verryken. Hy was zeer gemeenzaam met den vermaarden Scaliger, tot wiens huis, als een Tempel der Wysheid. hem dagelijks, zoowel als zijnen metgezellen Scriverius, Baudius, D. Heinsius en anderen, den vryen toe- en ingang open stond. Hy woonde zelfs bij den beroemden Fr. Junius. Deze, een der scherpzinnigste, Godvruchtigste en vredelievenste Godgeleerden zyner «uwe, wiens brandende yver ter bevordering der Reformatie in Vrankrijk en Nederland bekend is, en die zyn zucht tot de Kerkelyken vrede en verdraagzaamheid in zijn Geschrift van den vreedzamen Christen, genoeg heeft doen blyken, zocht den jongen Hugo al vroeg de gronden eener vreedzame Godgeleerdheid in te boezemen, en die hem ook sedert altoos bybleeven, en den naam van zyn' grooten Leermeester in gezegende gedachtenis deeden houden. Ook schreef hy veele jaaren daarna, „dat hem *e Mans Godvruchtigheid gedrang in de gedachten was, en hy door zyn voorbeeld zichzetv» in de oeffening der waare Godtzaligheid i- vry meer gevorderd voelde, dan door alle boeken die hij ooit geleezen had".

Dus vorderde hy niet alleen in kennis van waereldlyke, maar ook van goddelyke Weetenschappen, om by tyd en wyle zo wel de Kerke als den Staat met zynen wyzen Raad te dienen. In 't zelfde jaar van zijn komste ter Hooge Schoole gaf hy drie gedichten uit, waar over de waereld verwonderd stondt dewyl ze het bereik zyner jaaren te boven gingen. Het eerste was een Bruiloftsgedicht op Melissus en Ahnonde; het tweede een Lofgedicht op den Professor KuchUnus, beid* in cierlyk Latyn; het derde is in 't Gneksch aan den iongen Prins Fredrik Henrik, op de gelukkige aankomst van zyne Moeder Louisa de Coligny uit Vrankryk. In deze en andere Gedichten zyner Jeugd beschreef hy zich doorgaans met den naam van Stugeianus Grotius, smeltende zijn naam van Hugo met dien van zynen Vader Janus, of Johannes te zamen. Doch drie of vier jaaren daarna heeft hy deze zamensmelbng achtergelaaten, en alleen zyn eigen naam van Hugo gebruikt.

Hugo de Groot had juist binnen drie jaren zijn studiën te Leiden voltooid of hij ging, volwassen knaap nauwelijks, in het gezelschap van den Raadpensionaris van Holland. Johan van Oldenbarneveld, en den Admiraal van Zeeland, Jusrinus van Nassau, naar Frankrijk, mede in het gezantschap, dat met het oog op verschillende staatkundige aangelegenheden werd gezonden aan Koning Hendrik IV. En deze, hoewel den oorlog wars en bezield met het voornemen om den vrede, hem door Spanje en Engeland aangeboden, te aanvaarden, ontving niettemin de Hollandsche gezanten met groote voorkomendheid, en het den jongen Hugo de Groot in deze voorkomendheid wel het allerzeerst deelen. In het zevende deel van zijn jaarboeken maakt de Groot later zelf van deze reis uitvoerig gewag, doch hij spreekt daarin weinig van zichzelven, en prijst zich slechts gelukkig de hand te

364

Sluiten