Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoonlijkheid in waarde te doen verminderen, heeft men hem in deze gevangenschap in veler oog doen stijgen. Prins Maurits, tot wien Hugo de Groot zich wendde vóórdat men hem uit Den Haag naar Loevestein vervoerde, deed hem zeggen dat, ofschoon hij het niet verdiend had, de Prins aan zijn persoon zou blijven denken; weinige beloften zijn. slechter nagekomen dan deze!

Het verblijf te Loevestein is voor Grotius één lange lijdensgeschiedenis geweest, een pijniging naar lichaam en naar geest, waarvan het zeker niet tot schuld van zijn directe opzichters — de bezetting van het slot — en zijn indirecte bewakers — de Algemeene Staten in den Haag — is te rekenen dat hem nog geestkracht overbleef om zooveel voortreffelijken arbeid ten einde te brengen. Vrij nu van alle politieke beslommeringen, wijdde Grotius zich aan die takken van wetenschap, die hem lief waren, en schreef er tal van y werken. In het letterkundige vallen te noemen de aanteekeningen op de treurspelen van Seneca, en de vertaling van treur- en blijspelen van Sophocles en Euripides uit het Grieksch in Latijnsche verzen; in het godsdienstige: stichtelijke gezangen in Hollandsche verzen, getrokken uit de boeken van het Oude en het Nieuwe Testament, zijn arbeid voor het bewijs van den waren godsdienst, die, in zes boeken verdeeld, aldus eindigt:

Neem niet onwaardig aan dit Werkstuk mijner handen, O des aardbodems markt, O bloem der Nederlanden, Schoon Holland 1 laat dit zijn in plaats van mij bij u Mijn Koningin 1 ik toon zo als ik kan nog nu De Liefde, die ik heb altijd voor u gedraagen, En draag en draagen zal voorts alle mijne dagen. Vindt gij hier iet, het welk u dunkt te weezen goedt, Bedank hem, zonder wien geen mensch iets goeds en doet. Is hier of daar gemist, erinner met medoogen U zeiven, wat een wolk bedwelmt der menschen oogen; Verschoon veel liever 't werk, dan dat gij 't bitter laakt, En denk, och Heer, het is te Loevestein gemaakt I

Maar buiten dit kleiner te achten werk zijn twee groote voortbrengselen van zijn hand, die dadelijk aan zijn gevangenschap te Loevestein herinneren; in het juridische zijne „Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid", dat werk,

404

Sluiten