Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaren geweest, die tot de moeilijkste en smartvolste van zijn leven hebben behoord. Zijn eigene, overigens in weinig persoonlijke bijzonderheden afdalende brieven toonen dit duidelijk aan. Wel overlaadde Koning Lodewijk XIII hem met vriendelijkheden en stond hem een jaargeld van 3000 Livres toe, hetwelk intusschen, dank zij het slechte beheer der schatkist, niet dan met zeer onregelmatige tusschenpoozen werd uitbetaald; wel ook vaardigde de Koning later te zijner bescherming, in het bijzonder tegen de plakkaten, die zijn geboorteland tegen hem richtte, een uitvoerig bevelschrift uit 0; wel ook nam hem de almachtige kardinaal Richelieu in zijn gunst op en vroeg zijn raad in meer dan één belangrijke aangelegenheid, doch men liet hem tegelijk op duidelijke wijze merken, dat men meer dan raad alleen van hem verwachtte. Van de zijde der katholieke kerk werd geen poging onbeproefd gelaten om Grotius van geloof te doen veranderen, hetgeen dan ook meer dan eens tot tegen zijn standvastigheid gerichte geruchten aanleiding gaf; van de zijde van den kardinaal trachtte men hem te gebruiken voor diensten, die Frankrijk ten goede, zijn vaderland ten nadeele zouden zijn gekomen. Dat men zijn raad inriep aangaande datgene wat ter bevordering van een nieuwe verbintenis met de Algemeene Staten der Republiek kon strekken, spreekt wel vanzelf; dat echter Richelieu hem wilde betrekken in zijné pogingen om eene Fransche Zeevaart-Maatschappij op te richten en daartoe gebruik wilde maken van Grotius' kennis ten aanzien van de Nederlandsche Oost- en West-Indische Compagnieën, was van meer bedenkelijken aard. Vrij duidelijk werd het hem door een der dienaren van den kardinaal gezegd, dat hij op geenerlei ambt van Fransche zijde had te rekenen zoolang hij zich niet meer Franschman toonde dan tot dusver het geval was geweest. Maar Grotius heeft op dit punt vastheid van karakter en overtuiging getoond, en aanbiedingen, ook van Duitsche vorsten, geweigerd, hetgeen te meer moet worden gewaardeerd, omdat de behandeling, die hij van zijn vaderland had ondervonden en nog ondervond, hem waarlijk niet aan-

26 Februari 1623.

410

Sluiten