Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aangeboden titel van Hoogheid balsem op de wonde bleek; zóó openlijk voorstond zelfs, dat hij deze tegenover de Raden des Konings in het openbaar verdedigde. In September van het jaar 1631 eindelijk, nadat Grotius gemeend had lang genoeg te hebben gewacht, en ook, wijl de herhaalde aanbiedingen van Fransche en Engelsche zijde hem den grond steeds warmer onder de voeten deden voelen en inzien, dat de zorg van de Fransche Rijksgrooten voor hem verminderde naarmate men begreep hem niet ten nadeele van zijn eigen land te kunnen uitspelen, ging zijn echtgenoote scheep naar Holland teneinde met bloedverwanten en vrienden te overleggen wat men te doen had. Sommigen toonden zich zwaarhoofdig, oordeelden Grotius' overkomst nog ontijdig; anderen daarentegen zagen in die overkomst een gewenschte oplossing, omdat in het feit van zijne verschijning een reden zou kunnen liggen om zijn zaak opnieuw op het tapijt te brengen. In den Prins hoopte men in elk geval geen tegenstander te vinden, en de wijze, waarop de uitvoering der plakkaten tegen de Remonstranten verzacht, in vele plaatsen zelfs gestaakt was, gaf goeden moed op een gunstigen uitslag van de proef.

Zoo kwam Grotius met een Fransch schip in het laatst van October in Zeeland aan en begaf zich naar Rotterdam, waar hij door de zijnen hartelijk verwelkomd werd. Men had met opzet zijn overkomst geheim gehouden; men meende ook goed te doen aanvankelijk zijn verblijf zooveel mogelijk te bedekken, doch Grotius was daarvan niet gediend. In het openbaar begaf hij zich langs de straten, bracht bezoeken aan de burgemeesteren, aan de vroedschap der stad, deed in brieven aan den Prins en aan de Staten van de Republiek mededeeling van zijn aanwezigheid. Zelfs al had hij dit laatste niet gedaan, dan toch zou ongetwijfeld zijn verblijf hier te lande in de vergadering aer Algemeene Staten besproken zijn; te spoedig was zijn komst uitgelekt en te velen waren er, die hem haatten en vreesden, die niet in hem zagen den eerlijken man, strijdende en lijdende voor zijne overtuiging, maar den intrigant, die opnieuw den geloofsstrijd zou wakker roepen. De zitting van

419

Sluiten