Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarlijk niet altijd ongelukkig was. Doch temeer moest het hem na dit alles verdrieten in 1640 en latere jaren te bemerken, dat men vanuit Zweden hem dwarskijkers toevoegde, hem speciale boden zond, die hun eigen voor hem onbekende opdrachten, hun geheime, voor hem verzwegen bedoelingen, met zich brachten. Met de openhartigheid, die hem eigen was, klaagde hij daarover gelijk hij over het niet-betalen zijner gelden had geklaagd; telkenmale daartegen in vinden wij Oxenstierna de gelegenheid aangrijpen om hem de verzekering te geven van zijn onveranderlijke toegenegenheid en zijn voortdurend vertrouwen. Wat hem tenslotte niet verhinderde om, toen het bleek dat Richelieu den eerlijken Zweedschen gezant, die voor omkoopen niet vatbaar was, moede werd; toen bovendien diens opvolger Mazarin evenzeer zijne vervanging wenschte, Grotius een plaatsvervanger op te dringen. Deze bleek niet doof voor den ontvangen wenk, en hoewel hij nog kort tevoren in een brief aan zijn zwager de meening had geuit, dat men niet in Zweden trachtte hem onmogelijk te maken, gevoelde hij, dat voor hem de rijd van gaan was gekomen en verzocht en verkreeg hij de ontheffing van zijn ambt te Parijs.

Ook in deze tweede periode, schoon zij met diplomatieke zorgen van dagelijkschen aard, een drukke staatkundige en particuliere correspondentie gevoed werd, vond Grotius naast zijn deelname aan het huiselijk leven en het wetenschappelijk samenspreken met ambtgenooten en vrienden, gelegenheid om aan studiën op theologisch en geschiedkundig gebied zijn aandacht te wijden. In deze jaren heeft hij zijne „Geschiedenis der Nederlanden", loopende tot het sluiten van het Bestand in 1609, beëindigd; naar het voorbeeld van Tacitus deelde hij deze in vijf boeken annalen (1 567—1588) en achttien boeken geschiedenis (1588—1609) in. Men heeft dit werk geroemd, hoewel men Grotius ten eenenmale de ontleedkundige kwaliteiten van Tacitus ontzegde, en er zijn zelfs Duitsche oordeelvellingen, die ook wat den stijl betreft, zijn werk hoog boven dat van Schiller over den afval der Nederlanden stellen. In het bijzonder pleit echter deze Nederlandsche geschiedenis, die

426

Sluiten