Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

Er varen wel fabrieken

• . . er waren wel fabrieken, zeer zeker. Het fabrieksbedrijf. Bijvoorbeeld dr. Sarphati had immers die van de Vijzelgracht opgericht. Hij wilde, door de bakkerij in het groot aan te pakken, de prijs verlagen voor de volksklasse, en het plaatsen van depóts in alle buurten bleek een practisch middel.

. • • Doch — die depóts waren dikwerf in snoepwinkels, waar het brood verkocht werd tusschen drop en zoethout. Toch ging deze fabriek de eerste jaren uitnemend ...

— k Zelf werkte aan zulk een fabriek, die van de Haan. Een brood- en meelfabriek.

— Men wilde in dezen rijd toch al wel nieuwe wegen. Men liet buitenlanders overkomen om hier te bakken volgens hun methode, een Weener moest het beroemde Weensche brood leeren bakken. Doch het leidde niet tot bevredigende resultaten: het aanpassingsvermogen ontbrak. En het publiek wilde er niet aan. Zoo hadden we aan onze fabriek ook een franschman gekregen die, vrij gezel, leefde zijn eigen leventje op zich-zelf, en kookte zijn eigen potje. Hij bleef een plekje Frankrijk, en zijn brood bleef fransch, en het baksel acclimatiseerde niet. Want ieder land heeft zijn eigen baksel. Het duitsche is rond en zwaar en gedegen, het fransche is louter korst. Het engelsche is vast en wordt meestal geroosterd gegeten, het hollandsche was meestal niet genoegzaam doorbakken.

Zelf in het buitenland rondgekeken,

— Nu heb je altijd als je jong bent, zoo n soort zwerflust. En — zoo ben ik dan op het idee gekomen, eens zelf in het buitenland rond te zien, te lééren, en mee te brengen en te probeeren wat zich aan Holland zou kunnen aanpassen.

— 'k Heb in Duitschland gewerkt, in Frankrijk, in Oostenrijk, te

Sluiten