Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nadeelige invloed op de peperrank zou worden uitgeoefend, terwijl de steunen tevens eenige schaduw moeten opleveren, omdat al te veel zon niet bevorderlijk is voor het jonge peper ge was. Aanbevelenswaardig is het verder dat de steunsels tevens eenige bescherming opleveren tegen varkens en ander ongedierte dat vernielingen in de jonge pepertuinen veroorzaakt; dit verdedigingsmiddel verschaft de doorn voorkomende aan de dadap. Afgescheiden van de vraag of levende dan wel doode steunsels gebezigd moeten worden, werd op grond van vorenstaande overwegingen de gedoomde dadap als het beste steunmiddel beschouwd.

De doode steunsels of staken hebben het nadeel, dat zij niet duurzaam zijn; zelfs het hardste hout verrot op den duur of wordt door insecten aangetast, terwijl het zeer weinig gelegenheid biedt voor de wortels der jönge plant om zich te kunnen aanhechten, ten slotte verschaffen zij geen schaduw; als voordeel mag men daartegenover stellen, dat na zware regens de bodem spoediger van het overtollige water wordt ontlast, dan wanneer de bladeren van de levende steunboomen de inwerking van de zon belemmeren, en nog lang nadruppen.

De dadapstekken (tjenkring), welke later de steunpunten voor de peperranken vormen, hebben eene lengte van ongeveer 1.50 a 2 M. als zij worden uitgeplant, terwijl men ze niet hooger laat groeien dan tot op ongeveer 3.50 M., teneinde het plukken der peper niet te zeer te bemoeilijken.

De peperstekken worden omstreeks Maart of April geplant tegen de tjenkrings. Deze stekken worden verkregen van oude planten door eenige ranken langs den grond te leiden, waardoor zij hier en daar wortel schieten. Daarna worden zij ter lengte, van 20 a 30 o.M. afgesneden en met de nieuw gevormde wortels bij de tjengkrings geplant. Meestal plant men drie dezer stekken om één steunboom, soms ook wordt per steun slechts één stek geplant. Het spreekt van zelf, dat men slechts stekken neemt van krachtige, gezonde planten, terwijl het noodig is om de jonge plantjes, bijaldien zij over grootere afstanden vervoerd moeten worden, koel en vochtig te houden. Dit geschiedt het best door verpakking in den bast van den pisangboom.

III. Werkzaamheden in de tuinen na den aanplant.

Veel zorg wordt na het uitplanten niet meer aan de rank of aan den tuin besteed. De werkzaamheden bepalen zich tot het schoonhouden van den tuin, aanvankelijk minstens eenmaal per maand, later met grooter tusschenpoozen, totdat na het 6e of 7e jaar slechts om elke plant wordt gewied. Ook de steunpunten worden ontdaan van overtóllige takken en bladeren; zij worden, evenals de peperplant zelf, getopt teneinde het uitbotten te bevorderen. De in andere streken gevolgde

Sluiten