Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Aanleg der tuinen.

Alvorens te kunnen beschikken over den begeerden grond moet de planter daartoe vergunning hebben gekregen van het zelfbestuur. Eerst wordt eene voorloopige vergunning (soerat idzin) afgegeven voor het kappen van het bosch; zoodra het aangevraagde terrein is opgemeten wordt de definitieve vergunning (soerat kebon) verstrekt. Vooraf behooren echter eventueel bestaande réchten der Dajaksche bevolking door den planter te worden afgekocht. Deze rechten, mata belioeng geheeten, bedragen doorgaans ƒ 4.— per rantang (eene uitgestrektheid iets grooter dan 4 bahoe) en gelden slechts ten aanzien van de door de Dajaks ontgonnen terreinen. Vreemde Oosterlingen moeten ingevolge artikelen 13 en 14 van het vigeerend politiek contract met Sambas, eene belasting op den landbouw betalen (hacil tanah), welke ten voordeele van den Sultan komt. Zij bedraagt ƒ 1.— 's jaars per bahoe. Het aanslagbiljet in deze belasting is meestal voldoende bewijs, dat de houder, rechthebbende op den grond is. Bij het hiervoren genoemd vergunningsbewijs (soerat kebon) tot occupatie en exploitatie van den grond, afgegeven door het zelfbestuur, behoort eene schetskaart met opgave van grootte en omschrijving der grenzen van het terrein. Dit vergunningsbewijs wordt door den besturenden ambtenaar voor „gezien" geteekend, waardoor de houder — zoo hij tot de de Vreemde Oosterlingen behoort — tevens gerechtigd is om zich buiten de hem aangewezen wijk op te houden.

Slechts in de onderafdeeling Pamangkat schijnt het gebruikelijk dat, het terrein, waarop de a.s. planter de aandacht gevestigd heeft, door enkele merkteekens wordt aangegeven alvorens hij zich tot het zelfbestuur wendt ter verkrijging van de verlangde vergunning. *

Het werkvolk in de tuinen bestaat grootendeels uit Chineezen; het liefst neemt men hen, die reeds in de Serawaksche pepertuinen hebben gewerkt, terwijl ook ontslagen Javaansche contractanten van de Europeesche mijnbouwondernemingen zeer gezocht zijn. Slechts bij den aanleg der tuinen, voor zooveel betreft het kappen en branden van het bosch, worden Dajaksche werkkrachten gebezigd.

Over het algemeen hebben de tuinen niet zoo grooten omvang, dat het gebruik van vreemde werkkrachten doorloopend noodzakelijk is. Zoodra de aanplant eenige duizenden ranken omvat, moeten echter te allen tijde koelies in dienst worden genomen. Zoo rekent men voor het onderhoud van een tuin van 2000 ranken op één baas (mandoer) en twee koelies. Voor de minder omvangrijke aanplantingen worden slechts op bepaalde tijden, n.1. bij de bereiding der mest en bij den pluk, arbeidskrachten ingehuurd. Overigens wordt alle arbeid verricht door den planter zelf c. q. bijgestaan door zijn gezin.

De hierboven genoemde baas ontvangt een maandelijksch Jtractement

Sluiten