Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Werkzaamheden in de tuinen na den aanplant.

Zoodra de plantjes negen a twaalf maanden oud zijn, 'wordt aan de tegenovergelegen zijde van den staak een gat gegraven met eene middellijn van 0,50 a 0,60 M. en even zoo diep. De ranken (lantjafan), die met een soort wortel (akar tjarikan) aan den staak waren opgebonden, maakt men nu voorzichtig los en buigt ze om naar het gat, waarin zij gedeeltelijk begraven worden. Deze werkzaamheden vereischen veel oplettendheid en voorzichtigheid teneinde géén stengels te breken. Daarna wordt het geheele terrein om den staak ± 20 c.M. opgehoogd, zoodanig dat van de planten niet meer dan ongeveer 20 c.M. boven den grond uitsteekt. Vervolgens worden tusschen de rijen staken ondiepe goten gegraven tot afvoer van het regenwater.

Het overige werk in de tuinen bestaat in:

het zuiveren van onkruid, terwijl de ophooging om eiken staak op ± 20 o.M. wordt gehouden;

het losjes omspitten van den grond (digoehai) om het hard (pesit) worden te voorkomen; dit heeft eenmaal in de maand plaats;

h^t verdrijven van insecten gedurende den bloeitijd; voornamelijk de bilahoe (') en de mangau (*) schijnen op de peperbloesems af te komen; om hen dit te beletten wordt gedurende de bloeiperiode (bakambangbamajang) op verscheidene plaatsen in en op de grenzen van den tuin iederen middag een smeulend vuur aangelegd dat veel rook geeft;

het voorkomen, dat een stengel drukt op een tak, waardoor deze zou afsterven, zoodat de productie minder zou worden;

het afsnijden van de stengels die weinig takken vormen en wel boven den eersten tak van den grond af gerekend. Hierdoor wordt de takvorming bevorderd wat ten goede komt aan de productie;

het wegnemen der blaadjes in de takoksels. Op die" wijze belet men dat zich daar mierennesten vormen; eindelijk het snoeien der planten, zóó dat zij niet hooger worden dan de uitgezette steunen.

IV. Pluk.

De voornaamste pluk begint in Augustus en eindigt in Februari. In de overige maanden wordt ook wel geoogst, maar de opbrengst is dan zeer gering.

Ongeveer achttien maanden, nadat het hiervoor beschreven ombuigen der ranken heeft plaats gehad, kan men reeds oogsten. Deze oogst heet „boeah peladjaran" en bedraagt 40 tot 80 kati witte peper per 1000 ranken.

(1) De wetenschappelijke naam kon niet worden nagegaan.

Sluiten