Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontginning onontbeerlijke houtbosschen, terwijl niet over gronden zal mogen worden beschikt, die in de naaste toekomst door de Inlandsche bevolking voor haar onderhoud benoodigd zijn. De occupatie van den grond is streng persoonlijk; overdracht zonder vergunning van het gewestelijk bestuurshoofd mag niet plaats hebben.

Het aanleggen van pepertuinen nam na het in werking treden dezer voorschriften eene dusdanige vlucht, dat in 1901 door den toenmaligen resident beperkende bepalingen in het leven geroepen werden. In 1906, werden deze ingetrokken en vastgesteld, dat vergunning voor den aanleg van pepertuinen kon worden verleend, onverschillig of de aangevraagde terreinen nabij de mijnen ö, de zee of de bevaarbare rivieren gelegen zijn of niet. Echter zal altijd moeten worden overwogen of het verleenen der vergunning de belangen der tinwinning zou kunnen schaden. De aangevraagde terreinen mogen niet grooter zijn dan 80.000 M2, terwijl op de hoekpunten steenen palen moeten worden opgericht. Het Gouvernement kan echter ten allen tijde zonder eenige. vergoeding- weder over dvze in gebruik gegeven terreinen beschikken.

Teneinde speculatie in gronden te voorkomen is verder bepaald, dat, indien niet drie maanden na dagteekening van het betrekkelijk besluit een ernstige aanvang is gemaakt met de bewerking van het aangevraagde terrein, de vergunning vervallen kan worden verklaard.

Over het algemeen verricht de Inlander het werk verbonden aan den aanleg van een pepertuin zelf, daarbij zoo noodig geholpen door zijn gezin. Hij arbeidt echter alleen in den tuin als ladangbouw of vischvangst zijn tijd niet in beslag nemen. Slechts in de districten Soengailiat en Merawang bezigen zij voor het openkappen van het terrein daglooners, terwijl op de hoofdplaats enkele Inlandsche tuinbezitters Chineezen in dienst hebben.

Voor Chineezen, die vrij groote tuinen exploiteeren, is het in de laatste jaren vrij moeilijk om voldoende werkkrachten te krijgen. In de negentiger jaren waren de werkkrachten goedkoop omdat van het per wangkang aangevoerde aantal aspirant-mijnwerkers een groot percentage werd afgekeurd en de wervers opzagen tegen het terugzenden van de onbruikbare personen. Nu echter te Hongkong of te Singapore eene voorloopige keuring gehouden wordt, is dat aantal betrekkelijk gering. Dientengevolge zijn de loonen gestegen, daar ook de Bankanees zich niet als werkman verhuurt en bedragen zij tegenwoordig ƒ 8 a 'ƒ 15 per maand, benevens huisvesting en voeding. Behalve de afgekeurde aspirant-mijnwerkers zijn ook nog Chineezen wier contract bij de tinwinning is afgeloopen bij deze cultuur werkzaam.

(1) Dat aan Inlanders verboden is om tuinen aan te leggen binnen anderhalve paal van de mijnen, houdt verband met de persoonlijke rechten, die uit de hun verleende vergunning voortvloeien.

Sluiten