Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Werkzaamheden in de tuinen na den aanplant.

Is de plant gegroeid tot eene lengte van ongeveer 1.50 M. (de rank telt dan ongeveer 10 geledingen), dan wordt zij voorzichtig van den voorroopigen steun losgemaakt en deze verwijderd. Men breekt nu de acht jongste geledingen af, zoodat slechts twee geledingen bij den grond overblijven. De afgebroken rankdeelen bezigt men als stekken voor nieuwe tuinen of werpt hen als waardeloos weg.

Aan elk der drie knoopen van de jonge plant ontstaan nu nieuwe loten, die, nadat zij voldoende lang zijn geworden, aan den eigenlijken steun (djeroendjoeng) worden vastgebonden en wel zoodanig, dat zij aan drie zijden van dien steun kunnnen opgroeien als drie jonge ranken.

Teneinde de worteltjes dezer ranken , die op de knoopen uitschieten, beter aan den djeroendjoeng te doen grijpén en daardoor een inniger verbinding tusschen rank en steun te verkrijgen, worden de ranken niet op de geledingen aan den steun gebonden, doch ter plaatse der knoopen. Zoolang de geledingen nog eene lengte hebben van 20 a 30 cM. is het wenschelijk iederen knoop aan den steun te binden; later, naarmate de plant ouder en de geledingen korter worden, kan worden volstaan met het vastbinden om de 2 a 4 knoopen. Men vermijde vooral het te strak aanbinden van de ranken aan de steunen, omdat daardoor de plant zou kunnen afsterven. Als bindmiddel bezigt men de in reepen gescheurde schors van „tepis"; deze boombast wordt in bladen in den handel gebracht tegen den prijs van $ 3 p.p.

De drie jonge ranken laat men nu 4 k 5 maanden groeien, totdat zij eene hoogte bereikt hebben van + 1,70 M. en 12 a 13 geledingen tellen. Men verwijdert dan wederom de 6 a 7 jongste geledingen; aan de knoopen van het overblijvende deel der ranken ontstaan dan nieuwe uitspruitsels, die wederom ranken vormen. Zij worden aan verschillende zijden van den djeroendjoeng geleid.

Alle overtollige zijwaarts uitschietende loten worden verwijderd, evenals de bloemknoppen, die zich aan de oudste deelen der plant beginnen te vertoonen. Na 12 k 14 maanden hebben de ranken de hoogte van den djeroendjoeng bereikt. De plant wordt nu voor het laatst gesnoeid, waardoor zij tot op 3/\ der hoogte van den steun komt. Men laat de peperplant daarna zonder belemmering doorgroeien, doch zorgt door opbinden dat twee planten niet in elkaar groeien.

Overigens zorgt men dat de tuin steeds vrij van onkruid blijft, terwijl ook de bemesting naar behooren moet geschieden. Hiertoe gebruikt men gebrande aarde vermengd met asch en houtskool. De meststoffen mogen niet direct met de plant in aanraking komen, omdat deze dan door de gebrande aarde—tanah bakar—zou worden aangetast. Daarom wordt de grond in de nabijheid der plant losgewoeld, vermengd met de mest-

Sluiten