Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na men gedurende twee maanden het omgekapte hout laat drogen om het vervolgens in brand te steken. Na den brand wordt het overgebleven hout op elkaar gestapeld (dipoeroen) en nogmaals aan de vlammen prijsgegeven.

De grond is dan in zooverre schoon, dat hij dienen kan voor het uitzaaien van padi. Deze rijstoogst is het uitsluitend eigendom der planters die daarvan aan hun werkgever de indertijd voorgeschoten padi teruggeven; deze engageert daarmede weer nieuwe koelies enz.

Na den oogst van de padi worden de halmen afgesneden, gedroogd en met het nog overgebleven hout van de laatste verbranding aan de vlammen prijsgegeven.

Het terrein is nu volkomen van houtgewas gezuiverd en geschikt voor den aanleg der tuinen.

De werkgever (peutoeha besar) verdeelt het zoo schoongemaakte terrein gelijkmatig onder zijn kawans van het eerste jaar, die in het tweede jaar het hun elk afzonderlijk toekomend gedeelte met dadap beplanten, parits graven en bij de kapala tanah een nieuw gedeelte bosch omkappen, hetgeen weer met padi beplant wordt en waarop in het derde jaar dadapstekken zullen worden uitgezet. Zoo breidt elke kawan zijn tuin geregeld uit. Is de dadap zoo groot geworden, dat hij eenige schaduw geeft, meestal na ± 2 jaren, dan worden de peperstekken uitgeplant, waarna de tuin gereed is.

Door één anak kebon kunnen hoogstens 2000 boomen geplant en onderhouden worden. Wel komt het voor, dat hij in den beginne meer plant, doch dan verkoopt hij meestal het meerdere of gaat daarvoor werkovereenkomsten aan. Deze verkoop geschiedt altijd met medeweten van den peutoeha ketjil, die tegen betaling van „wang segel" ($ 5 voor eiken tuin van minstens 1000 ranken) daarvoor eene verklaring afgeeft.

Indien een peutoeha ketjil de door hem zelf aangelegde tuinen verkoopt, dan ontvangt de peutoeha besar de „wang segel", die dan echter „sapoeloe satoe" bedraagt.

De meest bekende soorten van dadap zijn:

o. dadap minjak (F^vthrina hyjjajAorjis. Boerl., var. inermis Miq.), in de pepertuinen gewild, daar hij een rechten stam en weinig doornen Heeft.

b. dadap ketapan *). Deze soort is minder gewild door de vele takken en omdat de boom krom groeit. Hij heeft meer doornen dan a.

c. dadap aboe 1). Hoewel de stam rechter groeit dan die van dadap minjak, is hij niet gewild, daar het hout veel te bros is.

d. dadap poeroe *). Deze soort is evenmin gewild, daar hij veel te langzaam groeit.

(1) Deze dadapsoorten werden niet aangetroffen in het Nieuw Plantkundig Woordenboek voor N.-I. door F. S. A. de Clercq, bewerkt en uitgegeven door Dr. M. Greshoff.

Sluiten