Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meeste takkjen en bladeren ontdaan en tot op + 3 djengkal van den top in dien kuil gelegd, waarna deze weder wordt dichtgemaakt. Men doet dit om de zijtakken dicht bij den grond te doen uitschieten; werd zoo niet gehandeld dan zouden de takken, te hoog uitspuiten.

Een jaar later worden de planten die achterlijk zijn, nogmaals aan die bewerking onderworpen.

Is de peperrank opgegroeid tot ongeveer 1 M. van den top van den dadap, dan wordt zij getopt om een al te hoogen groei te voorkomen. De tuin is nu geheel gereed.

III. Werkzaamheden in de tuinen na den aanplant.

Nadat de tuinen geheel beplant zijn, bepaalt het werk fan den anak kebon zich tot het uitroeien van het onkruid, het schoonmaken der parits, het snoeien van den dadap en-het opbinden van de peperranken.

Het zuiveren van onkruid heeft in den regel drie maal per jaar plaats, eens, wanneer de bloemen uitkomen, eens, wanneer de vruchten rijp worden, en eens na den pluk,

Hét vuil wordt met de afgesneden takken van den dadap, die eenmaal per jaar gesnoeid wordt, tusschen vier boomen opgestapeld en verbrand.

De oude peperranken worden met akar lemidang, (wortels van den Stenochlaena palustris Burm., nat. afd. der Filices) de jonge met daon pisang aan den dadap gebonden. Elk jaar wordt de akar lemidang verwisseld.

De jonge aanplantingen vereischen eenige meerdere zorgen. Behalve het beschutten tegen de felle zonnestralen, het bijplanten en het afwinden, waarover reeds werd gesproken, worden, wanneer de peperplant weer ongeveer dezelfde hoogte heeft verkregen als zij vöór het afwinden had, de onderste bladeren verwijderd om aan* de plant meer zijtakken te doen ontspruiten.

De parit peutoeha en parit radja worden door de respectievelijke eigenaars na den regentijd schoongemaakt. Tevens herstelt men dan, zoo noodig, die leidingen. Dit werk wordt over het algemeen aan Gajoeërs uitbesteed.

IV. Plu k.

In het derde jaar na het uitplanten der peperstekken kan feitelijk pas de eerste oogst worden binnengehaald. In het tweede jaar geven de planten ook wel vruchten, doch de oogst is dan nog zóó gering, dat het voor den peutoeha niet de moeite waard is, die te verzamelen. Elke anak kebon mag dien oogst zelf verhandelen.

Sluiten