Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want dat u-zelf liefhebben, dat is ook den mensch liefhebben, dat is liefhebben het ideaal der individualiteit. Want de christen, die God liefheeft, kan niet tegelijk liefhebben het zelfzuchtige, het verduisterde, het zondige, waarin hij verkeert, maar dat, wat daar achter telkens opnieuw wordt opgeheven in het Goddelijk Licht, zijn in Christus herboren persoonlijkheid. Zoo is er dan een altijd-durende wisselwerking van liefde tusschen den christen en zijn God en zijn naaste, dat is den evenmensch, dat is alle menschen, dat is de menschheid. Wie dus als deelhebber aan Gods liefde God zegt, zegt tegelijk ook mensch, zegt tegelijk ook menschheid, zegt tegelijk ook maatschappij.

De Deensche bisschop Martensen zegt zoo juist: „Gij moet liefhebben het beeld Gods op aarde. Daar nu de voorstelling van den naaste onafscheidelijk te zamen hangt met de voorstelling van het menschheidsrijk, zoo bevat piet tweede gebod ook dit: gij moet de menschheid liefhebben in God; gij moet het rijk der menschheid liefhebben in zijn eenheid met het rijk Gods." ') En ook Vondel doorvoelde de bedoeling Gods, toen hij zijn englen-rei zingen deed:

„Laat ons God in Adam eeren, Al wat God behaagt is wel." 2)

Waar alzoo het christendom, waar alzoo ook het christensocialisme den eisch der Gods-liefde stelt aan den mensch, zooals die zich in een menschheidsliefde openbaart, predikt het een maatschappelijke levensleer, geeft het zich in zijn hoog-zedelijke bedoelingen gen sociologisch karakter.

Dat ééne woord van Jezus, dat de liefde jol aefi naaste

') H. Martensen. Die christliche Ethik, 1878-1879, II, blz. 191i!_rnee; gedeeld in de toelichting der beginselverklaring van den Bond..van christen-socialisten.

2) Joost van den Vondel. Lucifer. Uitg. Tooneel-bibl. Blz. 15.

Sluiten