Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de breede onderlagen der maatschappij slechts zóóveel over te laten als strikt noodzakelijk was om deze instrumenten der kapitaalvoeding in stand te houden."') Het allereerste noodwendige gevolg van de scheiding tusschen arbeider en arbeidsmiddel, van de afhankelijkheid des nietbezitters—Van dén bezitter der productie-middelen, was alzoo in het verlagen der menschelijke arbeidskracht tot koopwaar, het verlagen van het overgroote deel der menschheid tot instrumenten van kapitaalvoeding, tot niets meer of minder dan nuttige dingen tot verrijking der bezitters van de productiemiddelen. Hier vonnist wederom de christelijke ethiek, waar zij de vrije menschelijkheid ziet óndergaan in het vrije looncontract, waar zij den mensch noodgedwongen zich verhandelen ziet als instrument van kapitaalvoeding, als „verlengstuk der machine."

Maar nog meer ging het kapitalisme zich aanpassen aan de menschelijke ondeugden. Naast het vrije looncontract ontstond de vrije concurrentie. Was het vrije looncontract de noodzakelijke dwang tot verkoop van arbeidskracht, de vrije concurrentie was de bandeloosheid van den strijd om het bezit. De waren, voortgebracht met de voor loon gekochte arbeidskracht, moesten op de warenmarkt aan den man worden gebracht. Schiep reeds de arbeidsmarkt een belangentegenstelling tusschen bezitters en niet-bezitters, de warenmarkt bracht een nieuwe belangentegenstelling: die tusschen de bezitters onderling. Hier werd het belang van den eenen bezitter tot nadeel van den anderen, hier ontstond de eindstrijd om de winst, om de vermeerdering van het kapitaal. Troelstra noemt deze vrije concurrentie in zijn nieuwste brochure „een voortdurende wedstrijd tusschen de ondernemers, om elkander de winst te ontnemen of te ver-

i) Dr. A. Kuyper. Het sociale vraagstuk en de christelijke religie, blz. 22.

Sluiten