Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het liberalisme, nauw gekomen tot de opperhoogte van zijn kracht, ging reeds ervaren, hoe sterke principiëele kritiek tegen den geest zijner politiek kon worden gevoerd. Deze kritiek werd een der groote oorzaken van den ondergang van het politieke liberalisme, dat zich ten leste als handhaver der kapitalistische belangen in den staat, vervangen zag door het dusgenaamde politieke christendom. Een christelijke bourgeoisie ging de liberale bourgeoisie vervangen in haar regeeringstaak, ofschoon de grondslagen van het staatsbeleid in Thorbecke's liberale grondwet bleven behouden.

Groen van Prinsterer ontleende zijn christelijk staatsrecht aan de vaders der anti-revolutionaire staatsleer Von Halier en Stahl. Deze beiden worden door den anti-revolutionair Mr. A. C. Leendertz aldus gekarakteriseerd:

„Von Haller zocht de openbaring van Gods wil bovenal in de natuur en haar wetten; de algemeenheid van een feit was hem het merkteeken van dien goddelijken wil. Het altijd en overal zich vertoonende feit, dat de sterkere over den zwakkere heerscht, was de natuurwet, de ordening van God, waarop hij het overheidsgezag deed steunen. Weliswaar openbaarde zich God behalve in deze natuurwet, ook in de zedewet, in „dem Gesetze der Gerechtigkeit und der Liebe," maar op de eerste werd toch de nadruk gelegd."

„Stahl's legitimiteitsleer las den wil van God af uit de historie; goddelijke beschikking beheerschte den causalen samenhang der dingen. In den loop der feiten, zoowel wat betreft de komst der overheden tot haar ambt als wat de geheele inrichting van den staat, ja het gansche zedelijke leven betreft, had de mensch daarom een besturing Gods te erkennen."')

De anti-revolutionaire professor Mr. Anne Anema ken-

') De grond van het Overheidsgezag in de Antirevolutionaire Staatsleer.

Sluiten