Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de grondwet van 1814 geoefend. Van Hogendorp was van meening, dat de nieuwe staat der Nederlanden niet moest zijn een herleving van de Oude Republiek. Hij zocht de fouten van die instelling in de verbrokkeling van het Algemeen Bestuur, en daarom was hij er in zijn schets op bedacht om dat algemeen bestuur sterker te maken. Desniettegenstaande hechtte hij nog zeer aan het oude en kende de schets aan de provinciën een groote mate van zelfstandigheid toe; reeds de titel: „Schets voor de Vereenigde Nederlanden" wees daarop.

Behalve de schets zijn door de Commissie nog in studie genomen een „Concept-Reglement tot invoering der grondwet" en een toelichting op de schets, getiteld „Algemeene gronden der Constitutie", beide van de hand van Van Hogendorp.

Het ontwerp was den 2en Maart 1814 gereed. Teneinde het aan de goedkeuring van het volk te onderwerpen, werd door den Vorst een Commissie van 9 leden benoemd uit lijsten, samengesteld door de Commissarissen-Generaal in de Provinciën. Deze leden benoemden weer 600 notabelen, die over het ontwerp moesten stemmen, terwijl lijsten van de namen dier notabelen ter lezing werden gelegd, opdat iedereen, zoo noodig, aanmerkingen daarop kon maken. Den 28en Maart had de bijeenkomst der (474) notabelen te Amsterdam plaats en aldaar werd het ontwerp der Grondwet met 448 stemmen vóór en 26 stemmen tegen aangenomen.

De voornaamste bepalingen zijn:

De souvereiniteit x) is en blijft opgedragen aan Willem I.

l) Souvereiniteit is dat gezag, dat geen hoogere of gelijkstaande macht erkent in de sferen, waar het heerscht.

Sluiten