Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de Oonstitutioneele Monarchie, waarbij het overwicht, ten opzichte van wetgeving en bestuur, berust hjj de Volksvertegenwoordiging. Het staat tegenover het Monarchale Stelsel, volgens hetwelk dat overwicht berust bij de Kroon. Vóór 1848 had de Koning een zeer groote macht, bijna gelijk staande met die van een absoluut Vorst; de Staten-Generaal konden kwalijk aanspraak maken op den naam van Volksvertegenwoordiging. In 1848 werden in de grondwet belangrijke rechten voor het parlement opgenomen, terwijl ook de wijze waarop het na dien werd samengesteld, aan dat parlement, in het besef werkelijk een vertegenwoordiging van het volk te zijn, een grootere moreele kracht gaf. Ook ging sedert 1848, door opname van ons art. 55, de macht van den Koning op de Grondwet berusten. Er moest nu een strijd ontstaan, een strijd, die zou hebben uit te maken, wie in het vervolg het hoogste woord te zeggen zou hebben: Koning of Parlement. We kunnen alzoo niet zeggen, dat met de wijziging van 1848 het Parlementaire Stelsel verzekerd was; dat die herziening de verwezenlijking ervan heeft bevorderd, staat boven twijfel, doch ons staatkundig leven had uit te maken ten wiens gunste de strijd zou beslist worden. Een belangrijk tijdvak hiervoor waren de jaren 1866—1868, onder het eerste ministerie Heemskerk. In die jaren zijn n.1. ernstige conflicten voorgevallen tusschen Regeering en Tweede Kamer. Twee maal is die Kamer toen ontbonden en er was zelfs sprake van, dat dit voor de derde maal zou geschieden, doch het eind is geweest, dat de Regeering in 1868 heeft toegegeven. Sedert 1868, kunnen wij zeggen, dat de onbelemmerde werking van het Parlementaire Stelsel dateert. Reeds hierboven werd er op gewezen, dat het van het hoogste belang is, dit voor oogen te houden bij de be-

Sluiten