Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7. Opgemerkt zij hierbij, dat alleen wordt gesproken van onroerende goederen (zie artt. 559 e.v. B.W.).

Art. 8. Zie art. 2 van het W. v. Strafrecht.

Art. 10. De Nederlandsche rechter zal dus, om de rechtsgeldigheid van handelingen, in den vreemde gepleegd, te beoordeelen, hebben te onderzoeken of de vormen, in de vreemde wetgeving voorgeschreven, zijn in acht genomen.

Abt. 11. De rechter moet het recht, zooals het geldt, toepassen. Hij vervult een lijdelijken rol, en heeft niet te treden in de beoordeeling der vraag, of de geldende regelen doelmatig of billijk zijn. Die vraag staat slechts ter beoordeeling van de macht, die de rechtsregels in het leven roept.

Art. 12. De rechter mag dus niet, wanneer hij in een zeker twistgeding vonnis gewezen heeft, bepalen, dat dit vonnis zal gelden voor alle gelijke gedingen, die by hem aanhangig gemaakt mochten worden. In iedere zaak moet hij afzonderlijk uitspraak doen.

Art. 13. Nooit zal de rechter er zich op kunnen beroepen, dat de wet een leemte inhoudt, in een zeker geval dus niet heeft voorzien. Hij is gedwongen rechtte spreken, de bepalingen der wet moet hij uitleggen (interpreteeren). Welke gedragslijn hij daarbij zal volgen staat geheel te zijner beoordeeling. Oppervlakkig lijkt het nu, alsof in dezelfde kwestie onderling uiteenloopende vonnissen verkregen zouden kunnen worden, doch wij zullen bij Hoofdstuk V Grondwet zien, hoe door de

Sluiten