Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeemijlen vanaf de zoetwatergrens. De binnenzeeën behooren uit den aard der. zaak tot ons territoir.

Tot ons grondgebied worden eveneens gerekend te behooren (ook weer volgens het internationaal gewoonterecht), Nederlandsche schepen en Nederlandsche gezantschapsgebouwen in den vreemde.

Het art. spreekt verder over koloniën en bezittingen. Onder de eerste verstaat men wel een oorspronkelijke nederzetting, onder de laatste een product van verovering. Volgens die zienswijze zou Oost-Indië een bezitting zijn en West-Indië een kolonie. Tegenwoordig echter laat men dat onderscheid vervallen. Het woordje „benevens" dient om de ondergeschiktheid der koloniën aan het moederland uit te drukken.

Art. 2.

De Grondwet is alleen voor het Brjk in Europa verbindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt.

Waar in de volgende artikelen het Brjk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.

Het art. zegt dus dat als algemeene regel de verbindbaarheid zich uitstrekt alleen over het moederland, behalve wanneer het tegendeel blijkt; alsdan zal zijn'verbindende kracht zich ook uitstrekken over de koloniën. Dit laatste kan, volgens de memorie van toelichting van 1887, blijken uit den inhoud van een grondwetsartikel of uit het onderling verband tusschen dat artikel en andere bepalingen. Het art. is dus eenigszins onbestemd.

Art. 122 zegt, dat de wetten alleen voor het moederland verbindend zijn, voor zooverre daarin niet is uitgedrukt, dat zij ook voor de koloniën gelden. Wil een gewone wet dus verbindend zijn voor de koloniën, dan moet dat er uitdrukkelijk in staan.

Sluiten