Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die uitzet, de uitlevering geschiedt in het belang van den Staat, aan welken wordt uitgeleverd.

Art. 2 der wet noemt de misdrijven op, die het onderwerp van een door den Koning te sluiten tractaat kunnen uitmaken.

Een uitlevering kan dus slechts plaats hebben krachtens een verdrag, gesloten binnen de perken van art. 2. De uitlevering wordt aangevraagd langs diplomatieken weg (art. 8) en heeft plaats door den Minister van Justitie op advies van den rechter (art. 15).

Hij die beweert Nederlander te zijn, en dat de wet dus niet op hem toepasselijk is, kan krachtens art. 16 in beroep komen bij den Hoogen Raad.

Art. 5.

Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar. Geen vreemdeling is biertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet.

Al. 1. Het is natuurlijk wel geoorloofd dat vereischten worden gesteld omtrent bekwaamheid, leeftijd, geslacht, enz. Er mag geen verschil gemaakt worden tusschen geboorte, rang of stand.

Zie hierbij art. 169, dat ongeveer hetzelfde uitdrukt.

Al. 2. Men zou verwachten, dat de wet, die aan dit voorschrift gevolg geeft, zou regelen de gevallen waarin, en de voorwaarden waaronder vreemdelingen tot een landsbediening konden worden benoemd. Bedoelde wet evenwel (van 4 Juni 1858) somt de betrekkingen op waartoe vreemdelingen benoembaar zijn: o. a. consulgeneraal, consul, consulair agent, kanselier, hoogleeraar, leeraar, enz.

Sluiten