Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als voornaamste regeeringsvormen onderscheidt men:

a. de constitutioneele regeeringsvorm;

b. de absoluut-monarchale regeeringsvorm;

c. de republikeinsche regeeringsvorm.

a. De constitutioneele monarchie.

De kroon is erfelijk. Er is een grondwet (constitutie), waarbij de rechten van vorst en volk zijn omschreven.

De constitutioneele monarchie kan zijn:

1°. Zuiver-constitutioneel-monarchaal. Hierbij is de grondwet, als 't ware de voorwaarde, waaronder de Koning zijn macht heeft gekregen, m. a. w. die grondwet is niet-geoctrooieerd.

2°. Beperkt-constitutioneel-monarchaal. De grondwet is geoctrooieerd, d. w. z. de Koning, op een gegeven oogenblik alle macht in handen hebbende, staat een deel van die macht af bij de grondwet, die hij aan het volk schenkt.

b. De absoluut-monarchale regeeringsvorm.

De vorst regeert het land zelfstandig, naar eigen inzicht. Hij bezit alle macht en behoeft niet te vragen naar de wenschen van het volk; er is geen grondwet, waarbij de rechten van vorst en volk zijn omschreven.

c. De republikeinsche regeeringsvorm.

Aan het hoofd staat een president, die voor een bepaald aantal jaren gekozen wordt. Als hoogste macht in den Staat is er een vertegenwoordigend lichaam.

Deze regeeringsvorm kan zijn:

1°. aristocratisch: de macht is in handen der aanzienlijken.

2°. democratisch: de macht berust bij het volk.

De aristocratische republiek kan ontaarden in een

Sluiten