Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alvorens over te gaan tot een verklaring van de beteekenis, welke aan dit artikel is toe te kennen, ga hier vooraf een enkel woord over de totstandkoming dezer hoogst gewichtige bepaling.

Reeds in 1815 zijn er stemmen opgegaan om het beginsel der ministeriëele verantwoordelijkheid ingang te doen vinden en in 't bijzonder hebben daarvoor geijverd de Belgische leden der Staatscommissie. Willem I, wel inziende, dat met. invoering van dat beginsel op zijn macht onvermijdelijk inbreuk gemaakt zou worden, heeft zich daartegen met kracht verzet. Ook in de Kon. boodschap van 11 Dec. 1829, wordt door hem op. smal enden toon gesproken van de zoogenaamde ministeriëele verantwoordelijkheid, „waarvan bet hem meer moeielijk viel „den waren zin als het eigenlijke doel te bepalen." In den loop des tijds werd de noodzakelijkheid om dat beginsel in de Grondwet op te nemen steeds meer en meer in den lande betoogd en dit heeft tot resultaat gehad, dat in 1840 op sterken aandrang der Tweede Kamer de ministeriëele verantwoordelijkheid, zij het dan niet in haren vollen omgang, in de Grondwet is neergeschreven. De Grondwet van 1840 kende alleen die verantwoordelijkheid voor Grondwets- en wetsschennis en niet die voor het regeeringsbeleid. Evenwel was de grondslag gelegd, en de negen mannen in 1844 en ook het verslag van 16 Maart 1848 drongen op de opname van de volledige verantwoordelijkheid aan. In 1848 is ons art. 54 dan ook opgenomen.

Nu wat betreft de beteekenis.

Reeds hierboven mochten wij opmerken, dat er een groot verschil bestaat tusschen den vorst in den absoluten en dien in den constitutioneelen regeeringsvorm. De eerste regeert het land naar eigen goeddunken, hij behoeft niet

Sluiten