Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit die onschendbaarheid vloeit voort dat er een ander moet zijn, die de verantwoordelijkheid voor den Koning draagt, tegen wien dus de critiek zoowel der volksvertegenwoordigers als der burgers zich kan richten: de aangewezen persoon daarvoor is de minister.

De ministers zijn dus verantwoordelijk.

Het zal «duidelijk zijn, dat die twee beginselen van ons staatsreóht samen moeten gaan, het een kan niet zonder het ander. Voor een besluit, een handeling van den Koning is overeenstemming noodig met den minister, die is de mededrager van het Koninklijk gezag. Iedere regeeringshandeling. komt tot stand door samenwerking van beiden, maar alleen de minister draagt de verantwoordelijkheid ; hij zal iedere handeling moeten beschouwen als een daad van hemzelf, en de critiek kan zich alleen tegen hem richten. Art. 77, laatste lid, bepaalt dat alle koninklijke besluiten door een der ministers moeten worden medeonderteekend (contraseign). Die handteekening wijst dengene aan, die de verantwoordelijkheid daarvoor draagt. Daar de minister aldus de volle verantwoordelijkheid draagt en zich nooit verschuilen mag en kan achter den Koning, zal hij natuurlijk met iedere regeeringshandeling volkomen moeten instemmen. Bestaat er verschil van meening tusschen Koning en minister, de buitenwereld wordt nooit gewaar, wie van hen heeft toegegeven. Gedwongen worden kan de minister natuurlijk nooit; wil hij de verantwoordelijkheid niet dragen, hij vrage ontslag. De positie van den Koning is dus een zeer eigenaardige, hij is de staatkundige koning, d. i. de Koning gedekt door den verantwoordelijken minister en het spreekt van zelf dat het van de bekwaamheid en van de geschiktheid van zijn persoon grootendeels afhangt of hij al dan niet veel invloed oefent op den gang van

Sluiten