Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuiging van de Tweede Kamer; dit is een conventie van ons Staatsrecht. Zonder die overeenstemming is een samenwerking onmogelijk.

Maar hoe kan de Tweede Kamer zich de werking van de ministeriëele verantwoordelijkheid verzekeren? In de grondwet zijn haar verschillende rechten toegekend, die een waarborg zijn, dat zij inderdaad de werking van dat beginsel kan afdwingen en ook buiten de grondwet heeft sij middelen gevonden om dat doel te bereiken.

Bedoelde rechten zijn :

a. het recht van Initiatief;

b. „ „ » Amendement;

c. „ „ Interpellatie;

d. „ „ „ Enquête;

e. „om adressen aan de Kroon te richten. Verder staat nog ter harer dienste:

ƒ. de motie van orde;

g. het verwerpen der begrooting om redenen daarbuiten.

Door toepassing dier rechten en middelen kan zij aan den minister te kennen geven, dat zij zich met diens beleid niet kan vereenigen. Noemen wij een enkel voorbeeld. In 1894 diende minister Tak v. Poortvliet een ontwerp-kieswet in. Door De Meyier werd nu een amendement ingediend, dat het ontwerp op de hoofdpunten aantastte. Het amendement werd aangenomen en de Kamer heeft daar dus mede te kennen gegeven, dat zij zich met de denkbeelden van den minister niet kon vereenigen en dus de verantwoordelijkheid afgedwongen. Er bestond dus geen homogeniteit meer tusschen Kamer en minister en er moest een maatregel genomen worden om die weer te herstellen; dit kan, zooals dadelijk blijkt, op 2 manieren geschieden. Het uiterste middel, hoewel veel toegepast, is de verwerping der begrooting

Sluiten