Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om redenen daarbuiten. De Kamer geeft daar mede aan, dat ze wel haar goedkeuring hecht aan de begrooting, als financiestuk, doch de uitvoering daarvan niet aan den minister toevertrouwt. Hierbij is dus op ondubbelzinnige wijze te kennen gegeven, dat de homogeniteit tusschen minister en Kamer verbroken is, en dat ingegrepen moet worden. Ook kan dit blijken uit toepassing van het interpellatierecht, gevolgd door het aannemen eener motie, die dan kan behelzen een goed-, maar ook een afkeuring van het regeeringsbeleid van den minister.

Is er alzoo op de hoofdpunten geen eenheid van gedachte tusschen Kamer en minister meer, dan moet, zooals gezegd, ingegrepen worden en dat kan op twee wijzen geschieden. De Koning kan nl. zijn ministers ontslaan en andere ministers benoemen, die wel met de Kamer kunnen samenwerken. In dit verband dient vermeld te worden art. 77, waarin geschreven staat, dat de Koning zijn ministers naar welgevallen ontslag kan geven. De bedoeling hiervan is deze, dat een minister, al is hij nog zoo goed berekend voor zijn taak en een uitstekend bestuursman, zich toch niet gevrijwaard mag achten voor ontslag. Bij hem speelt nl. een groote rol de politieke overeenstemming met de Kamer; is die niet meer aanwezig dan is zijn ontslag nabij. De Koning doet dit echter, als hij er van overtuigd is, dat de vertegenwoordiging werkelijk geeft een zuivere afspiegeling van de politieke denkbeelden van het volk. Vermoedt hij dat zulks niet het geval is, hij zal het recht van ontbinding toepassen (art. 73), de Kamer wordt ontbonden en het volk kan een nieuwe Kamer kiezen. Komt de Kamer in baar zelfde politieke samenstelling terug, stelt dus het volk haar in het gelijk, dan blijkt, dat de Koning misgetast heeft; hij zal alsdan den ministers ontslag geven

Sluiten