Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en andere benoemen. Kiest het volk .echter een Kamer met een andere politieke samenstelling, m.a.w. wordt de Regeering (d.w.z. Koning plus de gezamenlijke ministers) in het gelijk gesteld, welnu de noodige overeenstemming tusschen ministers en Kamer bestaat weer en de staatsmachine kan verder haar arbeid verrichten. Uit het voorgaande blijkt dus, dat de Tweede Kamer een zuiver beeld moet zijn van de politieke denkbeelden van het volk, en dat ook de ministers in politiek opzicht dezelfde beginselen moeten huldigen als die Kamer, m. a. w. de verhouding van de Volksvertegenwoordiging tegenover de regeering is naar ons staatsrecht als die van de kiezers tegenover de leden der Staten-Generaal.

Nog dient hierbij opgemerkt te worden, dat de ministeriëele verantwoordelijkheid en het ontbindingsrecht aan de Staten-Generaal het middel in handen hebben gegeven om op de Kroon een sterke positie te veroveren, doch, onder verwijzing voor dit punt naar de staatkundige geschiedenis, zij hier de nadruk er op gelegd, dat met die twee voorname bepalingen het Parlementaire stelsel niet verzekerd was. De geschiedenis leert ons, dat dit werkelijk het geval is geweest, en dat sinds 1868 de Regeering zich schikt naar de politieke inzichten der Tweede Kamer, onder voorwaarde — het zij hier nogmaals gezegd — dat zij is de fotografie van de denkbeelden, die bij het volk, of beter, de kiezers, leven.

Behalve de politieke verantwoordelijkheid des ministers, onderscheiden wij nog dè strafrechtelijke en de geldelijke.

Art. 77, 3e lid, bepaalt dat de verantwoordelijkheid, d.w.z. de strafrechtelijke, zal worden geregeld bij de wet, en aan dit voorschrift is gevolg gegeven, of liever niet gevolg gegeven bij de wet van 22 April 1855. Immers

Sluiten