Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen, zooals die in dat art. thans luidt, waarmede dus is te kennen gegeven, dat de Koning is ondergeschikt aan de Wetgevende Macht („met machtiging van de wet"). Zie art. 4.

Art. 60.

De Koning heeft het oppergezag over zee-en landmagt.

De militaire officieren worden door Hem benoemd. Zij worden door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.

De pensioenen worden door de wet geregeld.

De mogelijkheid, dat de Koning opperbevelhebber van het leger is, schijnt uitgesloten, daar de opperbevelhebber ondergeschikt is aan den Minister van Oorlog.

De wetten, voortvloeiende uit dit art. zijn: de „Bevorderingswet voor de zeemacht 1902", de „Pensioenwet voor de zeemacht 1902", de „Bevorderingswet voor de landmacht 1902" en de „Pensioenwet voor de landmacht 1902" (alle van 9 Juni 1902).

Opgemerkt wordt, dat de benoeming (eerste benoeming n.1.) niet ter regeling aan de wet is opgedragen.

Art. 61.

De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeel en.

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld.

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld.

Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan.

Art. 62.

De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en

Wkthofp. g

Sluiten