Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in bestuurszaken deskundig college in te winnen. In 1848 evenwel werd het beginsel der ministeriëele verantwoordelijkheid ingevoerd en nu was het toch duidelijk, dat de R. v. S. kon verdwijnen, zijnde de ministers de natuurlijke raadgevers van den Koning. Met name was men bevreesd, dat de Staatsraad zich zou schuiven tusschen Koning en ministers.

De Regeering verdedigde haar voorstellen op grond, dat het geval zich zou kunnen voordoen, dat door ontslag van een geheel ministerie de Koning zonder raadgevers (ministers) zou zijn en hij zich alsdan tot den R. v. S. zou kunnen wenden. Zij wilde aan den Raad toekennen het idee van een kroonraad, d.w.z. een raad voor den persoon des Konings. De wet op den Raad v. State van 1861 evenwel heeft door hare bepalingen in de artt. 28 en 33 van hem gemaakt een Regeeringsr&ad, d.w.z. een adviseerend college voor Koning en ministers gezamenlijk.

Niettegenstaande de krachtige bestrijding handhaafde de Regeering haar voorstellen en daar het geheele 2e Hoofdstuk in één wetsontwerp vervat was en de Kamer geen recht van amendement had, moest zij, wilde zij de 7e afdeeling van het 2e Hoofdstuk verwerpen, het geheele Hoofdstuk, afstemmen. Tot dit laatste ging zij niet over met het oog op andere daarin reeds aangebrachte belangrijke wijzigingen en zoodoende was dus de instandhouding van den R. v. S. in 1848 verzekerd.

De herziening van 1887 bracht, behalve redactieverbeteringen, nog een verandering ten opzichte van den Prins v. 'Oranje. Deze had volgens de G. W. '48 een raadgevende stem. Nu werd dit geschrapt, zoodat de wetgever thans in dezen volkomen vrijheid heeft een beslissende, dan wel een adviseerende stem toe te kennen.

Sluiten