Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de artt. 6 en 7 de regelen voor het kiesrecht voor de Tweede Kamer van toepassing verklaard voor het kiezen der leden van Prov. Staten en Gemeenteraad, met dien verstande, dat men dan bovendien ingezetene moet zijn resp. van provincie en gemeente en dat voor den gemeenteraadskiezer, zonder uitzondering het betalen van belasting als vereischte is gesteld.

Om het kiesrecht te kunnen uitoefenen, moet men op de kiezerslijst geplaatst zijn, die jaarlijks door B. en W. voorloopig op 22 Maart en definitief op 15 April wordt vastgesteld. Vóór die definitieve vaststelling kan ieder betreffende het voorkomen of niet-voorkomen van een persoon op de lijst bij B. en W. bezwaren inbrengen. Van hun uitspraak staat beroep open op den Kantonrechter en van diens beslissing kan men in cassatie gaan bij den Hoogen Raad.

Aan het tweede lid van art. 80 geeft art. 5 der kieswet gevolg, hetwelk bepaalt, dat de uitoefening van het kiesrecht slechts is geschorst voor militairen beneden den graad van sergeant bij de zee- en landmacht en daarmede gelijkgestelden; men zie verder dat art.

Het derde lid bepaalt, dat van het kiesrecht zijn uitgesloten:

1°. zij, wien dat recht bij rechterlijke uitspraak is ontzegd.

Ons strafwetboek kent als een z.g. bijkomende straf ontzetting van bepaalde rechten.

2°. zij, die in gevangenschap of hechtenis zijn.

Hieronder worden verstaan degenen, die krachtens een wettelijke bepaling van hun vrijheid zijn beroofd.

3°. zij, die bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hun goederen hebben verloren.

De vraag, of een failliet hieronder valt, wordt verschillend beantwoord (zie art. 23 Faillissementswet).

Sluiten