Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plichting tot betalen; het betalen is het voldoen aan die verplichting.

Nu is er een Koninklijk besluit van 1824, bepalende dat de ministers uitgaven kunnen doen, dus den Staat kunnen verbinden, wanneer zij daartoe door den Koning gemachtigd zijn. Wanneer de minister krachtens dat Kon. besluit namens den Staat een overeenkomst aangaat, is de Staat verbonden en de rechterlijke macht heeft uitgemaakt, dat het niets ter zake doet, of er voor het nakomen der overeenkomst (dus voor de betaling) al of niet gelden op de begrooting uitgetrokken zijn. Daarmede is uitgemaakt, dat de begrooting niet is een rechtsgrond tot het doen van uitgaven.

Bij artikel 54 werd vermeld, dat de Tweede Kamer haar budgetrecht gebruikt om desgewenBcht den minister tot heengaan te dwingen. Zij verwerpt dan de begrooting om redenen daarbuiten gelegen. Deze practijk, hoewel door velen als inconstitutioneel afgekeurd, is dikwijls gemakkelijker dan het aannemen eener motie, over de redactie waarvan verschil van meening kan ontstaan. Een bezwaar is evenwel een mogelijke onzuivere stemming: sommigen kunnen de begrooting afstemmen om redenen daarin, anderen om redenen daarbuiten gelegen.

Zie verder bij art. 126.

De middelenwet. Dit is de begrooting van inkomsten. Opgemerkt mag worden dat de grondwet spreekt van het aanwijzen van inkomsten. De middelenwet noemt alleen de bronnen van inkomst, niet de bedragen. Deze worden gegeven in een staat bij de middelenwet behoorende, die niet als wet wordt aangenomen. Achtereenvolgens worden genoemd: de directe belastingen, de accijnzen, de indirecte belastingen, de invoerrechten, enz. Verder zijn nog genoemd: retributiën, uitkeering uit

Sluiten