Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stuursorgaan; hij is rijksambtenaar en als zoodanig is zijn taak om 1° bevelen van den Koning uit te voeren en 2° toezicht te houden op de verrichtingen der Staten. Hij is voorzitter van Prov. en Gedep. Staten, doch is geen lid van die colleges.

Derde Afdeeling.

Van de Qemeentebesturen.

Onder de Oude Republiek waren de steden in groote mate zelfstandig. Het platteland, dat door den adel in de Prov. Staten vertegenwoordigd werd, bezat in 't geheel geen staatsrechtelijke bevoegdheid. Deze zelfstandigheid verdween bij de Staatsregeling 1798. Ook werd toen het verschil tusschen steden en platteland opgeheven. De Staatsregeling 1801 herstelde dat verschil weer en gaf aan de steden ook groote zelfstandigheid, doch na 1805 was het daarmede weder gedaan. De grondwetten van 1814 en 1815 lieten aan de steden de vrije beschikking over hare eigen huishouding en belangen overeenkomstig den inhoud hunner reglementen en het reglement voor de gemeenten van 1824 deed van deze bevoegdheid bitter weinig Overblijven. De grondwet van 1848 schreef ten opzichte van de Gemeenten regeling bij de wet voor van hun samenstelling en bevoegdheden. De Gemeentewet, eveneens ontworpen door Thorbecke, is van 29 Juni 1851 (Stbl. 85). Tot de inwerkingtreding van de Gemeentewet heeft het reglement van 1824 gegolden.

Sluiten