Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 151 handelt over het instituut der onteigening, art. 152 over dat der politóerechtelijke ontneming. Er is tusschen die beide een groot verschil./ Bij onteigening gaat het eigendomsrecht over van den eenen op den anderen eigenaar, met het doel dat die nieuwe eigenaar dat voorwerp van eigendom meer in het algemeen belang zal gebruiken dan de vorige/ Bij pohtierechtelijke ontneming evenwel heeft in 't geheel geen overgang van het recht van eigendom plaats; het voorwerp van eigendom wordt vernietigd, omdat het gevaar oplevert of nadeelig is voor de gemeenschap.

De grondwet 1848 maakte geen onderscheid tusschen onteigening en politierechtelij ke ontneming in wetenschappelijken zin als boven aangegeven, en haalde die begrippen door elkaar. Als gevolg daarvan heeft de Hooge Raad die grondwet in dezen zin uitgelegd, dat hij onteigening aanwezig achtte, wanneer voor den eigenaar totaal verlies van eigendom plaats vond, zelfs al was er in wetenschappelijken zin sprake van politierechtelijke ontneming. Evenwel heeft later de wetgever (o.a. bij de wet op de hondsdolheid) wel degelijk tusschen die twee begrippen onderscheid gemaakt.

Onder eigendom is, volgens art.'625 Burg. Wetboek, te begrepen „het recht om van eene zaak het vrij genot te „hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken, „mits men er geen gebruik van inake,' strijdende tegen „de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld „door zoodanige macht, die daartoe, volgens de grond„wet de bevoegdheid heeft, en mits men aan de rechten „van anderen geen hinder toebrenge; alles behoudens „onteigening ten algemeenen nutte tegen behoorlijke „schadeloosstelling ingevolge de grondwet".

Onze grondwet spreekt niet van beperking van eigen-

Sluiten