Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens art. 166 moet de administratieve rechter in hoogste ressort door den Koning voor het leven worden benoemd. Op eigen verzoek kan hij door den Koning worden ontslagen, terwijl ontslag niet op eigen verzoek zal worden geregeld bij de wet.

In dit verband dient ook gewezen te worden op art. 70. De geschillen tusschen provinciën onderling, provinciën en gemeenten, alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders (die tusschen laatstgenoemde onderling zijn dus niet genoemd), welke niet behooren tot die, genoemd in art. 153 of waarvan de beslissing krachtens art. 154 aan een onafhankelijk«n rechter, is opgedragen, worden door den Koning beslist. Onder geschillen — reeds hierboven werd erop gewezen — zal hier moeten worden verstaan recAfegeschillen en geen belangengeschïïlen.

In 1891 werd een Staatscommissie benoemd om eene wettelijke regeling voor te bereiden, die in 1894 verslag uitbracht. Dit rapport heeft niet tot een resultaat geleid.

In 1905 zijn door minister Loeff aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet aangeboden tot regeling der administratieve rechtspraak. Ook deze zijn later ingetrokken.

Bij art. 145 werd erop gewezen, dat de regeling van het vernietigingsrecht met die der administratieve rechtspraak verband houdt. Zou het vernietigingsrecht onbeperkt blijven bestaan, dan was het bijv. mogeüjk, dat de Koning door vernietiging van een besluit van B. en W. een uitspraak deed in tegenovergestelden zin aan die van den administratieven rechter, als deze was ingesteld. Er zouden dus conflicten kunnen ontstaan tusschen Koning en administratieven rechter. Vandaar dat het vernietigingsrecht aan de wet ter regeling is opgedragen in 1887.

Prof. Mr. A. A. H. Struycken verdedigt in zijn werkje

Sluiten