Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Grondwet 1815 verleende bescherming aan de bestaande kerkgenootschappen; onder die grondwet werden de Afgescheidenen vervolgd, hetgeen de regeering verdedigde met een beroep op het woordje „bestaande"; de straf, die daarbij door den rechter toegediend werd, steunde op de artt. 291, 292 en 294 van den Code Pénal, die intusschen bij de wet van 1853 zijn ingetrokken. De Afgescheidenen werden in 1839 als een afzonderlijk kerkgenootschap erkend, onder voorwaarde dat zij afstand deden van alle aanspraken op de goederen der Hervormde kerk.

Art 169.

De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

Dit art., dagteekenende van 1815, spreekt hetzelfde beginsel uit als art. 5. Er mag geen onderscheid gemaakt worden in verband met godsdienstige gezindte.

Art. 170.

Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens denoodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rast.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar dè wetten en reglementen is toegelaten.

Het art. dateert in zijn tegenwoordige redactie van 1848. Waar dus in dat jaar godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen bestond, mag deze nog worden ge-

Sluiten