Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1808 vaardigde Lodewijk Napoleon een decreet uit, waarin bepaald werd, dat de geestelijke» van gezindten, welker eeredienst tot nog toe ten koste van den Staat niet werd onderhouden, zouden betaald worden naarmate de stand van de schatkist het zou toelaten. Alle betalingen aan geestelijken zou in het vervolg door de publieke schatkist geschieden. De kerkelijke goederen en fondsen, welke waren onder de administratie van plaatselijke besturen, strekkende om geestelijke personen geheel of gedeeltelijk te betalen, zouden naar de publieke schatkist worden overgebracht. Gedurende de inlijving bij Frankrijk werden geen uitkeeringeh gedaan door den Staat.

Bij besluit van den Souvereirien Vorst van 1814 werd de regeling van genoemd decreet hersteld. De Grondwet 1814 kende aan de Hervormde kerk een bevoorrechte positie toe, door haar bij voortduring de uitkeeringen te verzekeren, die haar voormaals gedaan waren, terwijl de andere gezindten slechts kregen wat laatstelijk was toegekend.

De bedoeling was door opname van ons art. 171, dit onderscheid te doen verdwijnen. Het woordje thans beteekent hier dus 1815.

Art. 178.

1 Die Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.

Art. 178.

De tusschenkomst der Begering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid vol* gens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.

De hier bedoelde bevoegdheid, het recht van placet, werd in 1848 door opname van dit art. opgeheven.

Sluiten