Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 185.

Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de StatenGeneraal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen.

Art. 81 der Militiewet bepaalt, dat binnen 6 weken nadat de ingelijfden in buitengewonen dienst zijn gehouden of daartoe opgeroepen, het voorstel van wet moet worden ingediend.

Art. 186.

Al de kosten voor de legers van het Kijk worden uit 's Rijks kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantiên van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Brjk gevorderd, kunnen niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogsgevaar in den zin, waarin dat woord in 'sLands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning.

In 1887 is ook de redactie van dit art. verduidelijkt: De grondwet van '48 gaf aanleiding tot de zienswijze, dat de wet alleen moest regelen voor tijd van oorlog en ook dat schadeloosstelling in tijd van oorlog niet verplicht was. De Inkwartieringswet van 14 September 1866 (Stbl.

Sluiten