Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze is verdeeld in 16 § §, houdende bepalingen over verschillende onderwerpen.

§ 1. Overdracht of overneming van waterstaatswerken.

Art. 1 behandelt de overbrenging van waterstaatswerken in en uit het beheer of onderhoud van het Rijk.

Art. 2 zegt dat waterstaatswerken, in beheer bij lagere organen, in het beheer der provincie kunnen worden overgebracht door Prov. Staten onder goedkeuring van de Kroon.

§ 2. Voorziening in waterstaatsbelangen, bij gemis aan regeling door de bevoegde macht.

Bij art. 3 vergelijke men art. 144 grondwet. Alleen art. 3 eischt voorziening bij de wet, voor het overige kan de Kroon regelen, den R. v. S. gehoord.

§ 3. Inrichting van den Rijkswaterstaatsdienst. .

De Minister van Waterstaat is het hoofd van den Rijkswaterstaat. De inrichting van dien dienst wordt geregeld bij Alg. Maatregel van Bestuur.

§ 4. Bevoegdheid tot onderzoek van waterstaatswerken.

De bedoeling is de verplichting hier genoemd zoo ruim mogelijk te nemen.

§ 5. Binnentreden van woningen.

Zie hierbij art. 158 grondwet en het wetje van 1853 voor de Gemeentebesturen.

§ 6. Verplichting van eigenaren en gebruikers van gronden ten opzichte van waterstaatswerken.

Hierbij vergelijke men art. 9 der Onteigeningswet.

§ 11. Toezicht op zee- en rivierwaterkeerende werken.

De in art. 33 bedoelde werken mogen niet worden uitgevoerd alvorens het plan door Ged. Staten of in hooger beroep door de Kroon is gcodgekeurd. Bij dringend of dreigend gevaar kan hangende de aanvrage tot goedkeuring, mits terstond aan Ged. Staten daarvan wordt kennisgegeven.

Sluiten