Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„We zeiden reeds, dat we niemands recht op deze meening betwisten. Maar in deze courant, die maar niet het orgaan is van een bepaalde socialistische secte, doch die het orgaan wil zijn „voor de Arbeiderspartij", moet het vrij staan zoo duidelijk mogelijk te zeggen, dat de meeste tegenwoordige socialisten de opheffing van het kapitalisme eischen enkel en alleen omdat het hun wil is, en zij geen macht erkennen buiten de maatschappij en boven de menschen. — Het moderne proletariaat weet volkomen goed, dat het alleen verlost kan worden door z'n eigen sterken arm, en verreweg den meesten onzer is het ten eenenmale onverschillig, of hun streven al dan niet door een „God" wordt gebillijkt. Dat partijgenoot Van Vorst reden heeft om te schrijven: „God wil niet gediend worden met de ellende der groote meerderheid", mogen wij aannemen. Dat is zijn „private" opvatting, maar de onze is, dat men met het verkondigen van zulke stellingen de propaganda van het socialisme terugbrengt naar een tijd dien de arbeidersklasse thans achter den rug heeft. Het is de oud-christelijke propaganda, de propaganda dus van het jaar nul, of daaromtrent. Al wat de moderne sociaaldemocratie leert is met dit christelijk socialisme strijdig. Werd het algemeen, de beste vruchten van de socialistische wetenschap zouden gevaar loopen. Wat onze propaganda de nog onwetende arbeiders moet doen zien, is de noodzakelijkheid van het socialisme, is de gegrondheid van onze verwachting, die niet afhangt van een hoogere goedkeuring, maar die gebaseerd is op kennis. Wij hebben de arbeiders te leeren dat het socialisme de uitkomst is van het kapitalisme, en dat alleen het kapitalisme het socialisme kan voortbrengen. Is dit niet onze overtuiging, die vooral daarom zoo krachtig is wijl ze ontleend is aan de werkelijke maatschappelijke ontwikkeling die we om ons heen zien." ')

') Het Volk, 28 April 1908.

Sluiten