Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Alles is in alles," heeft de dichter gezegd. Wat wij waarnemen in de stoffelijke wereld, nemen wij dikwijls waar ook in de zedelijke en geestelijke wereld. Daarvan hebben wij hier een voorbeeld. Kwijnt een orgaan van het lichaam langzamerhand weg wanneer het niet wordt gebruikt, — ook de vermogens van den geest ook de neigingen, ook de karaktertrekken verkwijnen, wanneer zij niet aan het werk worden gezet. Ziehier een feit, waaruit iets valt te leeren, — een wet, in menig geval nuttig om toe te passen.

Vooreerst is zij toe te passen in de opvoeding. Wij hebben in ons kind iets leelijks ontdekt. Het is opvliegend, het is stijfhoofdig, het is slordig, het spreekt onwaarheid. Nu kunnen wij daartegen ingaan. Ons overwicht is groot. Onzer is de macht. Wij kunnen waarschuwen, dreigen, onze verontwaardiging uiten, genoegens onthouden, straffen — wij kunnen kastyden. Maar het is een andere vraag, of dit alles iets helpt. Er zijn ouders, die met al hun overwicht en overmacht eindigen, geëindigd zijn — met aemechtig de armen te laten hangen en de zaak op te geven. De leelijke trek moet er uit — en hij bleef er in, en vertoonde zich weer, en altijd weer, en spotte met vermaning, met toorn, met straf.

j Leeren wij hier van de natuur. Het kind gebruikte jaren achtereen dat eene oog niet — en nu is dat oog zonder licht. Zooals wij het betreuren van dat

Sluiten