Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijk gevoelen naar de mate hunner eigen kracht.

Is nu eenmaal het gevoel van solidariteit ontwaakt, dan staat men voor de practische vraag: „wat moet ik voor de anderen doen?" Op die vraag komen allerlei antwoorden, maar niet vele zijn afdoende. Toch alleen een afdoend antwoord heeft waarde. Misschien verdient het oude antwoord overweging: vervul den plicht, die voor de hand ligt.

Een onderwijzer zou aan zijne klasse duidelijk maken wie onze naaste is. In de klasse waren vele intelligente leerlingen gezeten. Maar een, die veel ouder was dan de anderen, was achterlijk en spraakgebrekkig. Men hoorde nooit zijn geluid.

„Wanneer ge op weg naar school" — zoo vraagde de onderwijzer aan een der knapen — „iemand in het water zaagt vallen, zoudt ge hem er dan uithalen?"

Na eenig stilzwijgen antwoordde de gevraagde: „daarover zou ik mij nog eens moeten bedenken."

En hoor, daar klinkt uit den mond, die anders zich nooit opende, stotterend en driftig: „dan is het al te laat!"

Wat minder spreken, wat minder bedenken en wat meer vervulling van den voor de hand liggenden plicht, ziedaar wat, naar onze bescheidene meening, het gevoel van solidariteit voorloopig van ieder onzer vraagt.

1 Mei 1893.

Sluiten