Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gadering komt in het hart van den jongen Sture berouw. Hij wacht Person op en zegt: „Heer Person, er is iets tusschen ons voorgevallen, dat mij leed doet. Ik wenschte U daarover iets te zeggen". En dan met een hoogen blos op het gloeiend gelaat: „Ik heb een beschuldiging tegen U uitgesproken, waartoe ik geen recht had. Ik vraag U vergiffenis daarvoor". Maar als hij nu de hand naar zijn tegenstander uitstrekt, ontsluiten diens over elkaar gekruiste armen zich niet. Eonde schuldbekentenis wordt ontvangen door koele hoogheid. En nu zegt Sture: „Gij hebt gelijk — een edelman zijt ge niet".

Velerlei zijn de oorzaken van kleingeestigheid. Men ontmoet haar overal, zoowel bij armen als bij rijken, bij geleerden als bij eenvoudigen. De omgeving, waarin we groot werden gebracht, is van grooten invloed op de ruimte onzecbegrippen.

Hoewel het niet gemakkelijk is zich over eigen kleingeestigheid heen te zetten, moeten wij ons daartoe toch moeite geven. Immers, een bekrompen opvatting van het leven, van de menschen, van de omstandigheden kan de oorzaak zijn van heel veel leed.

Eigenlijk is ieder mensch kleingeestig op een of ander punt. Daarom nu en dan de hand gestreken door de haren; den boezem losgeknoopt; naar den grooten, wijden hemel geschouwd; de zee ingestaard; nu en dan

Sluiten