Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons zijn gekomen, is wel het bekende: „Hoe zoet, hoe lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis als broeders samen wonen!" Maar wie dat wil bevorderen, wie voor dit ideaal gloeit, hij moet die zonen dan ook in waarheid zonen van „hetzelfde" huis doen zijn, d.i.: ze allen meten met dezelfde maat, ze allen bij zijn leven en in de beschikkingen, die hij maakt voor na zijnen dood, scheren — zooals het volk zegt — over een en denzelfden kam.

Het eene kind doet zijnen ouders meer verdriet dan het andere. Er zijn kinderen, waarvan de ouders enkel vreugde beleven, — en er zijn er, van wie zij enkel leed hebben. Is het dan niet natuurlijk, dat men zich tot het eene kind meer dan tot het andere voelt aangetrokken? Niet natuurlijk, dat men daarvan ook iets doet blijken? Wie zoo spreekt, vergeet een ding — eigenlijk: hij vergeet allerlei dingen. Hij vergeet: dat de betrekking van ouders tot kinderen eene dubbele is. Ouders hebben in het geval, waarover wij spreken, meer kinderen — maar ieder van hen heeft maar éénen vader en maar ééne moeder. Hij vergeet, dat, als er van voortrekken sprake zou kunnen zijn, dat dan dat kind zou moeten worden voorgetrokken, dat door de natuur het minst bedeeld is. Hij vergeet, dat, indien een kind zedelijk verdwaalt, de maatschappij en de staat, kortom „de menschen", aan dat kind het recht mogen voltrekken, maar dat een vader en eene moeder

Sluiten