Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gij zoudt ze|kunnen leggen op elkander, dan zoudt gij aan den binnenkant niéts anders zien dan één baak, een enkelen — van alle haken zouden de twee lijnen, die ze tot haak maken, elkander juist bedekken.

Nog iets valt aan dit stuk gereedschap op te merken. Een beitel kan zéér scherp zijn, minder scherp, bot, zéér bot — maar blijft in al die gevallen een beitel. Aan een passer kan iets haperen, zijn gewricht kan verlamd zijn, maar daarom houdt hij niet op te zijn een passer. Een zaag kan slecht zijn, maar is dan toch nog een zaag. Maar een slechte haak bestaat niet. Zoodra de twee armen van een haak uit het lood zijn, is de haak verdwenen. Al waren die armen van het zuiverste goud, zij zouden als haak niet meer kunnen dienen; aan een stukje waardeloozestof,maar dat twee armen bevat, die een hoek van negentig graden insluiten, zoudt ge als haak meer hebben. Er is geen haaksch of minder haaksch — een voorwerp is een haak of het is er géén.

De werkman, die ook maar eenmaal vergeet aan een stuk werk zijn haak te gebruiken, bereidt zich eene steeds terugkeerende ellende. Die éene fout komt telkens voor den dag. Zij is niet weg te krijgen dan door gebroddel, dat op zijn beurt de bron wordt van nieuwen misstand. In vroegere tijden bestond het proefstuk van den leerling die den meestergraad wilde verwerven, in het maken van een raam met verschillende vakken, zoo, dat in

Sluiten