Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereiden vol ellenden — dikwijls ook een toekomst als bedelaar? Gaat van mij, gij die heeren en werklieden tegenover elkander stelt, bedoelende, dat zij, die niet werken, de heeren zijn: uw tegenstelling is onzin, zij is valsch.

Definities zijn moeilijk — dat weet ieder, die ooit heeft beproefd ze te maken. Maar in het onderhavige geval is de taak toeh niet heel zwaar. Het heer-zijn ligt in de vrijheid. Een vrij man — dat is een heer, al zou hij ook zijn loon ontvangen per dag. Maar tot die vrijheid zijn eenige dingen onmisbaar.

Vrij is de man, die zijn eigen boterham eet, al is die boterham niet dik gesmeerd; die zijn eigen kleederen draagt, al zijn die kleederen ook van grove stof; die zijn oogen kan opslaan tegenover iedereen en die in den spiegel ziende, kan zeggen: ik zie een eerlijk man. Zoo iemand is vrij, en krachtens deze vrijheid is hij een heer. Elk edel man — is een edelman — en adel wordt niet verkregen dan door arbeid. Wat als eene tegenstelling wordt gebruikt is geen tegenstelling. Omgekeerd: een man is slechts in zooverre een heer, als hij werkman is.

Werkende stand. Wie behooren daar eigenlijk toe? Menschen die arbeiden met de handen, zal men zeggen. Maar is werken met het hoofd dan geen werken? Is geesteujke arbeid dan geen arbeid en niet evenzeer noodig als die met de handen? Sterker: is handwerk

Sluiten