Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Petemoei:

De zuchten die ge loost Meer dan een virreljaars, voor inspraak doof en stom Zijn die u meer tot steun? Ik gis een andren grond!

Herzeloude:

Wat andren grond? Wel is Uw dank van korten stond, Nu reeds met vale woorden 't herdenken te ontrouwen

En weg te ritsen den sluier vant gebed !

De dood leent aan het leven groot benauwen,

Bodemloos diep, peilloos voor rede en wet

Daar klinkt mijns vaders woord weer tot mij door: „IJlrag als herfstgeweb is 's menschen denking, Maakt er een weefsel van, daartegen schoonheid aamt Dauwglinsterstiksel — zoo gij maar niet beraamt Het af te spinnen, des afgronds diep te meten:

Het reikt niet toe — en breekt 1"

O, Petemoei, het mijne staat op breken!

Ik peinsde het brein in droefheid moe en leeg

Een virrel jaars. Tóén dekte witsneeuw gindsche boomen,

Nu groengevlokt van Lente's schromend komen

Op 't zoet gelok der zuivre vogelkelen

Ik vrees deez' lent, mij zonder Vader thans. Ik heb voortaan Alleen den kam van 's levens helling voort te gaanl Qeen leiding, geen vertrouwde

Petemoei:

En Reinout dan, mijn kleine Herzeloude

Herzeloude:

Ge moogt hem noemen de godheid van ons huis, Niet van mijn ziel —, steeds was hij goed voor mij

Sluiten