Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zou mijn heer Reinout, van 't Frankische geslacht, De. stam der Palsters, eeuwenoud, als eerenwacht Naar 's Konings Hof zoo geern u zien geschaard, Bedraagt u dan met lof en zijt in deugd vergaard!

Gawan:

Uw woorden suizen straf als Saracenenklingen; Wij druipen muisstil af, moog gij voor ons bedingen Van mee te gaan als wacht, den weeldelust te schouwe', De hoofsche hovenpracht des vorsten van Anjouwe!

(Allen af, behalve Walther).

TOONEEL III. Walther: (naar den tempel loopend). De dienst die duret lang, schaff' ik mij nog den zegen En deel aan 't lithurgzang; mijns heeren gloof en degen fis mijn behoud, belijdenis en leven

TOONEEL IV. Provisor: (komt aangedribbeld). Ho, jonker, ho, marret even

Walther:

Hoe, heer Provisor, zoó gehaast en tochtig? provisor:

Ik mocht er wel zeven armen hebben als de kroonluchter in jde kapel — de drukte zweet me de talk zeivers uit voor de keerskens.

Walther:

Mocht ge er dan niet zoo bij flapperen, heer Provisor; het zijn Vredige lampen die om de gouden columba schijnen!

Sluiten