Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reinout Palster:

Ge zegt het wel! — maar prijst nochtans 'tgeluk

Dat gij int Rijk des Nachts geen ooren hebt, Kaar gij dan hooren zoudt een doodesbangen schrei

Dien kreunt een echo terug tot mijn verlatenheid!

O, als God Liefde is, dan moet mijn stem hem roeren!

Wat klagelijk geween tandknerst int stomme hijgen

Van mijn gedachten! — Ik ben aant afscheid lang voorbij |Der zoete waereld, maar na haar glans lokt niet de luister

Van hooger Licht — ik zink int buitenst duister,

En heb de voet gezet int hèl-zwart van den twijfel,

Doodzond' altegens Heilgen Geest — de weifel,

Doembre weifel is 't handgemaal en steenmetsmerk des duivels!

Mijn manheid is daarginds in Gullstraumer verdronken.

Nog meer dan Perceval ben in ellende ik verzonken!

Reinout li kaiiis noem mij, Reinout den doodsverbande! waart gij een kruistochtridder eens geweest Ris ik — meer dan aan duizend wonden rauw ontvleeschd Kou U het foltren pijnen — o, gruwelijk ontzet! — Van achter 't Heilig Wit onzalig zwart te vinden. Gij gaat een nieuwen Godsdienst stichten? — wat wet, pVat woord, wat waarheid wilt g'ontbinden pn iets te geven dat beter is noch slechter dan het oude?

Everwacher:

Kruisridder ben ik nooit geweest, maar 'k kan als priester Doorvoelen wat ge lijdt — vant zoete Tabernakel, het vroom

aanbeden outer

Te moeten scheiden en 't jeugdgeloof te derven Geeft schrijnend zielsverdriet; maar zoo ge kunt beërven Wat mèer dan outer is, den Misdienst overtreft, Zie ik niet in wat scha Uw ziel daarvan zou lijden!

Sluiten