Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graaf van Melun: (op een fluisterend gegeven bevel van den

koning).

Spitsbroeders! Weest in uw vuur getemperd

Hebt nog geduld en binnen- korten tijd

Trekken wij voort. En laat thans ongehinderd

Uw bisschop gene heidnen doopen, zonder verwijt

(murmuracie).

Bisschop Abelard: (met onvaste stem).

De Saraceen is aan den Krist gehaat,

Afgrijslijk dievenvolk, dat stal het goudbrocaat

Uit 's Tempels wijding, als Nebucadnezar deed,

Bezoedelde laag het reine priesterkleed!

Wij hebben, broeders, recht, te haten dezen stam,

[Die ons het schoonste goed, Jeruzalem ontnam!

Doodzonde alom bedrijft, en stal de basiliek

Des Heiligen Petrus leeg, het heilige reliek

Vant Avondland, en ook de zilvren deur

Die daarheen leidde, een gift van hoogste keur,

Door Honorius gedaan, vant dak de gouden tegels!

Van Petri graf het kostbaar hoogaltaar met zijne parelpegels,

[En rijke heilgenbeelden mitsgaders wandendoeken!

Strooide de asch van den Apostelvorst naar alle hoeken

De Paulus-tempel werd ook door hen gekeerd I Nooit heeft een Hunenvolk de Kerk düs onteerd! De Saraceen was Rome meer bezoeking Dan 'thelsche vuur bracht Sodom de vervloeking. Paus Leo's bidden kon deze plaag niet keeren. [Te schooner Godsgena spreekt dan uit dit bekeeren piet hoe om 't hysop zij als onze pilger dringen!

Stem uit het volk:

Het doopvont wijdt hen in met dertig zilverlingen!

Sluiten