Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Everwacher: Hoe?

Tankelijn:

Is dit de berg dan niet der Zaligspreking

Dien ik als Christus straks weer bestijgen ga

Met doornenkroon en zelfde lijkenwa?

Ik heb gebeden — tot God niet maar tot Satan —

Dat hij mij maken mocht tot eenen tweeden Adam

Op een uitgestorven aard', daar ik de eenge ben 11

mcjit uu, uuc vau ucn utig gv£.i\.n

| De aard' is leeg, een dorre woestenij, Een Godsvloek, daar waanzin wreed uit grauwt Den hemel tegen, hem feilen smaad toejouwt.

1 /.(><> S IIItl rcü IK UL I UC SUC11C11

Haar kaken wijd om d'aarde met de sterren

Als slijkzand te vermalen en in het vuur te spuwen,

D'ontuchtge aard' mocht ik den buik induwen,

De moedervrucht vermorzen en dooden alle kiem,

Bevlekken heiligheid, schenden met schram en striem

Al wat er Abelsvroom om Gods-behagen boeit.

Wat paardenoog is d'aard, daarom de mug krioelt

En etterwonden bijt om zich aan zat te zuigen.

Geen zweepklap haar verjaagt vant fel-verzotte smuigen.

Waar is de hand, die instompt 't wereldoog

En is het deze niet. Ik, Christus thans, gedoog

Die aarsaasvliegen niet in 's Heelals eerste Eden,

En doem het menschgeslacht ter helle naar beneden,

En roep de bajerd weer!

Everwacher:

Rabouni, zegt waartoe

Uw mond gedurig zooveel vloeken doe'?

Sluiten